
Lang voordat je weet of je überhaupt arbeidsgeschikt bent word je als kind al geacht te beslissen wat je wil worden als je groot bent. Dat levert vertekende toekomstperspectieven op die later voor veel frustratie kunnen zorgen. Zo wilde ik vroeger Marga van Praag worden. In groep 5 heb ik deze droom onder grote druk laten varen. Niet lang daarna besloot ik dat ik filantroop van beroep wilde worden. Dat wil ik nog steeds, wat de frustratie alleen maar groter maakt. Bij mij op school zat een jongen genaamd Wouter die de lat nog hoger legde. Hij wilde God worden. Meestal eindig je dan als luchtverkeersleider of als schrijver, maar Wouter niet. Hij werd iets anders: gek.
In psalmen en godsdienstlessen werden wij opgeroepen om ons te identificeren met Bijbelse helden zoals David, Jozef of Habakuk. Wouter vond dit getuigen van weinig ambitie. Waarom zou je streven naar een positie als woordvoerder terwijl je ook CEO kunt worden? Zo’n doorgecatchiseerd kind als hij had natuurlijk opgevangen dat God de mens naar Zijn evenbeeld heeft geschapen. Dat kon toch niet voor niks zijn. Op school was het een gezellige oecumenische boel waar alles welkom was op het spectrum van Lou de Palingboer tot Opus Dei. Katholieke leerlingen raadden Wouter aan om maar gewoon paus te worden; dat kwam op hetzelfde neer maar met een stuk betere secundaire arbeidsvoorwaarden. Dat ging helaas niet, want hij was nieuw-orthodox gereformeerd bevindelijk vrijgemaakt calvinistisch.
Daarmee waren Wouters alternatieven snel uitgeput. Er zat niks anders op dan zijn oorspronkelijke plan: voor God solliciteren. Met zo’n specifiek doel leek hij zijn positie op de arbeidsmarkt al te bederven vóór zijn achtste. Maar Wouter zag het zonnig in. Van alle carrièretijgers die de basisschool heeft voortgebracht begon hij als eerste aan de weg te timmeren. Al in de laagste klassen begreep hij dat hij niet voor zijn droombaan in aanmerking zou komen zonder track record van mythische proporties. De basis voor zijn CV legde hij met een oudtestamentische mentaliteit: hij was manipulatief, veeleisend en kon bij de minste geringste twijfel aan zijn autoriteit ontsteken in woede. Periodes van creativiteit wisselde hij af met controledwang. Hij opereerde vooral achter de schermen, en intimideerde klasgenoten net zolang tot ze zijn mededelingen over het schoolplein verspreidden. Toen iemand twijfelde aan zijn gezag stak hij een struik voor het gymlokaal in brand. Van schrijven moest hij niets weten, dat was meer een profetenklusje. Er was ook geen tafel die hem interesseerde, of hij moest van steen zijn. Handvaardigheid vond hij dan wel weer relevant. Vooral op zoutpilaren kon hij zich helemaal uitleven. Op een dag liet hij een meisje weten dat hij haar prikkeldraad zou geven als ze niet haar lievelingspop in stukken zou hakken. Huilend van angst bond het kind haar Baby Born op een hakplank. Juist toen ze de mespunt op het plastic halsje zette riep Wouter: ‘Haha grapje! Ik wilde je alleen maar even testen.’
In groep 8 was iedereen bang voor Wouter, ook al spijbelde hij bijna altijd. Hij was dus gevreesd en onzichtbaar, waarmee hij al in de buurt van zijn einddoel kwam. Mensen hoefden alleen nog in hem te geloven. In zekere zin deden ze dat al, maar met name in zijn woede- en waanstoornissen. Toen zijn middelbare schooltijd aanbrak werd Wouter daarom op Speciaal Onderwijs gezet. Voor hem was het een opluchting dat anderen eindelijk erkenden dat hij speciaal was. Misschien is dit de reden waarom de tirannieke driftkikker na de basisschool begon te ontspannen. Je zou kunnen zeggen dat hij een boek dichtsloeg – het oude testament om precies te zijn. In plaats daarvan kwam het nieuwe testament, met een nieuwe God en een nieuwe Wouter.
Ik heb in die jaren niet veel van hem vernomen, maar hoorde later dat hij direct was doorgestroomd naar een kliniek. Geen antipsychoticum bleek opgewassen tegen Wouters roeping. In de instelling bleef hij werken aan zijn loopbaan. Het schijnt dat hij ooit een dode pad zag liggen en het beest toesprak, waarna het zich spontaan weer bij het rijk der levenden voegde. Drie schizofrene medepatiënten bevestigden dat ze de amfibie even later in blakende gezondheid door hun kamer zagen springen. Op een nacht brak hij in bij de medicijnkast, en roofde alle pijnstillers mee die hij kon vinden. Toen de volgende morgen bij het ontbijt iedereen z’n pillenrantsoen naar binnen had gewerkt, vulde hij de borden bij met opiaten, en daarna nog eens, en daarna nog eens. Toen het personeel door had welke wonderbare vermenigvuldiging hier gaande was werd Wouter afgevoerd naar een isoleercel. Maar voorwaar, de volgende morgen stond de zware deur open en was de cel leeg, op het keurig opgevouwen beddengoed na. Wouter verscheen even later doodgemoedereerd met stichtelijke woorden aan de oever van de tuinvijver. Zijn collega-gekken schaarden zich vol ontzag om hem heen.
Niet veel later besloot Wouters vader dat het welletjes was geweest in het gekkenhuis. Hij kwam naar de kliniek en nam zijn enige zoon met zich mee. Voor zijn vertrek verzekerde Wouter de andere patiënten nog wel dat hij ooit terug zou keren – wanneer kon hij nog niet zeggen. Zijn volgelingen namen afscheid, tot tranen geroerd. Later zouden zij elk hun eigen versie van de gebeurtenissen vertellen aan wie het maar wilde horen. En zo ging Wouters droom uiteindelijk in vervulling. Had ik eerder geweten dat je het met genoeg doorzettingsvermogen zo ver kunt schoppen, dan was ik nu Marga van Praag geweest.
Eerder voorgelezen op Radio Swammerdam, waar een confronterende opname van blijkt te bestaan