
Het waren de donkere dagen voor Kerst, de tijd dus om een Daklozenkrant in huis te halen. Dat doe ik het liefst bij de lokale Albert Heijn, waar gewoonlijk Steve met een halve literblik Krachtig Kanon en een gouden tand bij de zelfscanremise staat opgesteld. Hij was niet op post, dus moest ik in de kou op zoek naar een concurrent. Ondanks de huizencrisis waar je zoveel over hoort viel dat nog niet mee. Na lange omzwervingen vond ik een verkoper met talloze hesjes, pasjes en coronasymptomen vóór een boekwinkel die de ramsj aanduidde als ‘mooi snoepgoed’. ‘Wat vindt u het leukste stuk?’ vroeg ik. ‘No Dutch,’ snauwde de koopman – dus ook in deze branche trekken de expats al aan de touwtjes.
Nu ik de eerste trede op de vlizotrap van liefdadigheid had gezet, besloot ik gelijk maar even de boekhandel in te gaan. Dat doe ik niet graag, want ik heb een OBA Totaal Pas: onbeperkt romans, CD-roms en VMBO-scholieren. Voordat ik de knip trek, wil ik weten of een boek de centen waard is. Daarom leen ik het eerst uit de bieb, om dan, als het een five-star read was, vast te stellen dat het inderdaad een juiste aankoop zou zijn geweest (meestal niet). Maar soms moet je zo’n ding cadeau doen, en dan ontkom je niet aan de detailhandel. bol.com pakt namelijk niet in, en ik ook niet, althans niet met de nauwsluitende Corbusier-lijnen die alleen boekverkoopsters beheersen, en dat is toch waar men bij zo’n cadeau het hardst op gaat.
Zo gebeurde het dat ik in de boekhandel stond, poster van Maartje Wortel als een waarschuwing voor de waakhond bij de entree. Bij de Kerstloterij had ik dit jaar de naam getrokken van een familielid dat elk geschenk best vindt zolang het maar praliné of jodendom bevat. Sommigen zouden spreken van een ‘filosemiet’. In elk gezin heb je er wel één: zoveel menora’s in huis dat alle kompassen in de straat rondjes draaien, levenslange gold member van het NIW (met ‘ie’!), de complete werken van Clara Asscher-Pinkhof in de kast (inclusief Rozijntje van huis en Knus in een hoekje).
Ik had één van de laatste overlevende oorlogsdagboeken getraceerd die mijn familielid nog niet in de thuiscollectie had. Het ging om de getuigenissen van een 15-jarig meisje in het joodse ghetto van Radomsko, thans gesitueerd in een door de lokale overheid ‘LHBT-vrij’ verklaarde Poolse regio. Een boekverkoopster stond exemplaren van Het lied van Europa te stapelen in een Brandenburger Tor-achtige constructie. ‘Heeft u hier het dagboek van Miriam Chaszczewacki?’ informeerde ik. Ze kroop achter de computer en vroeg met een pokerface: ‘hoe spel je dat ook alweer?’ Op de achtergrond stortte een zuil Leon de Winters in elkaar.
Na 3 tot de macht 4 medeklinkercombinaties (jaren op Science Park gezeten) bleek het dagboek niet leverbaar. ‘Maar we hebben wel gewoon onze eigen Anne Frank,’ zei de verkoopster. ‘En Etty Hilversum, minder vaak verfilmd maar even schrijnend. Loop maar mee naar de oorlogshoek.’ Navigerend langs termietenheuvels met binnenlandse debuten (aparte tafels voor ensceneringen in de Achterhoek, Goeree-Overflakkee en Baronie van Breda) voerde ze me naar een sectie tussen de True Crime en de Geschiedenis.
In Nederlandse boekenwinkels betekent oorlog: de steeds dunnere pamfletten van Roxane van Iperen, vijftien glossy edities van Het Achterhuis en een hele kast vol over de trauma’s van Dutchbat-veteranen. Maar in deze zaak was er meer aan de hand. Ik bekeek de romans en zag achtereenvolgens Trompettist in Auschwitz (Dick Walda), Bokser in Auschwitz (Shawn Hoffman) en Kleermaker in Auschwitz (David van Turnhout) – allemaal ‘waargebeurd’ volgens de kaft.
Dit herinnerde me aan een boek waar mijn familielid zich wel eens verlekkerd over had uitgelaten: De celliste van Auschwitz (Anita Lasker-Wallfisch). Dat boek trof ik niet aan, maar wel De fotograaf van Auschwitz (Luca Crippa), De meesterontsnapper van Auschwitz (Jonathan Freedland) en De apotheker van Auschwitz (Dieter Schlesak). De carrièrebeurs bleef maar doorgaan; op de volgende plank stonden De kapelmeester van Auschwitz (Szymon Laks), De bibliothecaresse van Auschwitz (Antonio Iturbe) en De tatoeëerder van Auschwitz (Heather Morris).
Over het algemeen vind ik Holocaustgrappen net zo misplaatst als Esther Voet (zinsontleding naar smaak), dus deze kast stond me niet aan. Omdat ik toch benieuwd was of De celliste tot het personeelsbestand behoorde onderbrak ik de medewerkster bij haar bouwproject. ‘Prachtige titel,’ zei ze, en logde weer in op Windows XP. ‘Ik zie geen celliste in het systeem. Maar ik heb wel De violiste van Auschwitz door Ellie Midwood en De vioolbouwer van Auschwitz door Maria Anglada. Komt dat in de buurt?’
Buiten de strijkerssectie waren nog verkrijgbaar: Het roodharige meisje van Auschwitz (Nechama Birnbaum), De kleermaaksters van Auschwitz (Lucy Adlington) en allerlei zusterlijke configuraties: De tweeling van Auschwitz (Eva Mozes Kor), De drie zussen van Auschwitz (opnieuw Heather Morris: een recidivist) en The sisters of Auschwitz, de hernoeming van ’t Hooge Nest voor de Engelse markt, waar de uitgevers al helemaal niet aan ‘Nooit Meer Auschwitz’ doen.
‘Daar waar men boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen,’ dat weten we nu wel eens. Minder bekend is dat je boeken helemaal niet hoeft te verbranden om dat effect te sorteren; het is genoeg om ze dit soort titels te geven. Zo’n gratuite oxymoron met aan de ene kant iets popperigs, en aan de andere kant een Vernichtungslager activeert dezelfde zenuwbanen als populistische propaganda over kindermisbruik of oorlogsweduwen. Daarvoor hoef je geen hersenchirurg te zijn (ben ik ook niet hoor). Kijk maar naar zoiets als War Child: onze hippocampus wordt helemaal week van zo’n kitschparadox, het is cheques uitschrijven en belastingvoordeel geblazen maar ondertussen slaat Marco Borsato z’n slag.
Om maar iets af te rekenen koos ik het eerste het beste boek zonder Auschwitz-vacature in de titel. Het werd De kapper van Sobibor. Toen ik buitenkwam stond de clochard van de Daklozenkrant tegen de etalage te plassen. Wat had ik graag een volle blaas gehad.
Eerder verschenen in Propria Cures