De geodriehoek van talent: een dag als wiskundedocent

Ik sta al even met zonnebril en pet op te fotograferen bij het hek van het Geert Groote College wanneer ik besef dat ik misschien niet de juiste indruk maak voor mijn meeloopdag.

Vier maanden eerder was ik met een olifantenrammelaar van het Faire Oosten op kraambezoek bij een vrijeschooldocent Hout. Ze reageerde enthousiast op mijn ziekteverlof. Met de baby aan de borst nodigde ze me uit een dag mee te lopen.

‘Je gaat altijd zo op in de verhalen over de Biro’s en gelnagels van mijn havo-leerlingen,’ zei ze. ‘Misschien hoor je ook voor de klas.’

Wie is er niet voor zo’n voorstel te porren? Meestal komen mensen er helaas niet op terug, zeker als er hoge concentraties oxytocine in het spel zijn. Deze keer gebeurde dat wel, en half september kreeg ik een rooster met wiskundelessen toegestuurd.

‘Dan doe je even een zij-instroomtraject en word je meteen mooi ingeschaald,’ zei mijn vriendin. ‘Misschien wel schaal 9. Oef, dan zit je gebakken hoor jongen.’

Ik heb nog nooit het genoegen van een CAO gehad. Ongeveer de helft van mijn werktijd gaat op aan machineren en intrigeren om te ontdekken dat collega’s met dezelfde verantwoordelijkheden anderhalf keer zoveel verdienen. Het concept van vaste salarisschalen zou mijn werkdruk direct halveren.

Daar staat tegenover dat lerarenlonen kariger zijn dan in het bedrijfsleven. Maar niet alles draait om geld. Ik besluit niet aan de centen te denken en me te concentreren op de verheffende waarde van een rol in ons onderwijssysteem.

‘Weet je dat zeker?’ De koffie-, soep- en broodjesvrouw met de sleutelbos van de kantine laat bijna de bevroren panini’s uit haar handen vallen wanneer ze hoort van mijn plannetjes. ‘Je gaat hier zeker de helft van je salaris inleveren hè!’

De helft had ik niet begroot. Maar misschien ben ik zelfs bereid dat offer te brengen in het licht van het grote individuele en maatschappelijke nut dat het lerarenwerk dagelijks dient.

‘Daar merk ik de meeste dagen bar weinig van,’ zegt een scheikundedocent. ‘Ik ben al blij als ze een paar minuten de zuurkast dichthouden.’

Het contact met de leerlingen dan. Ik stel me voor dat de interacties met al die levenslustige mensenkinderen ook veel waard zijn.

‘Interacties genoeg,’ zegt de handvaardigheidsdocent. ‘Vorige week kreeg ik nog een triplex vliegtuig naar mijn hoofd. Hele klas naar huis gestuurd.’

***

Omdat ik alleen wiskundelessen ga bijwonen schat ik het risico op fysieke aanslagen lager in. Maar ook tijdens het lesuur over logaritmes met een havo-eindexamenklas vliegt er binnen de kortste keren een projectiel door het lokaal.

‘Mees, wat is dat nou weer voor een goor ding?’ zegt de docent.

‘Het is een california roll!’ gilt een bakvis.

Het blijkt een afgebroken deodorantstick die Mees heeft afgepakt van Justin en met medewerking van Timo naar het antroposofisch afgeschuinde raam heeft gegooid.

‘Het spijt me, ik mikte eigenlijk op het digibord,’ zegt Mees, een puber met zo’n vrolijke lach dat het moeilijk is dit excuus niet te accepteren.  

‘Pas erop,’ zegt de docent. ‘Ik kan altijd een Blauwe Brief schrijven.’

Er gaat een gemompel door de klas. Het komende kwartier is het muisstil.

Ik bied aan te helpen met het beantwoorden van vragen. Al snel schuifelen er twee meisjes naar me toe met hun Texas Instruments en werkboeken van Getal en Ruimte. ‘Be Kind To Your Mind,’ staat er op een sticker. ‘Girlboss Alert!’ op een andere.

‘Wij hebben geen biologie in ons pakket, maar deze som gaat over walvissen. Dus wij snappen hem niet,’ zegt de één, een blokjesbeugel fonkelend in de ochtendzon.  

Samen gaan we de verhaalsom over tand- en baleinwalvissen te lijf. Op het moment dat de meisjes de vraag begrijpen ervaar ik meer voldoening dan de afgelopen vijf jaar in de kantoortuin.

De extase is van korte duur. Wanneer de docent vraagt wie z’n huiswerk heeft gemaakt, steken slechts twee van de twintig kinderen hun hand op.

‘Gefeliciteerd,’ zegt de docent, ‘dan hebben jullie een lootje verdiend.’

De twee leerlingen die hun huiswerk af hebben krijgen als beloning een lot. Wanneer er 100 lootjes zijn uitgedeeld, dingen zij mee naar één van de prijzen. Kinderen die hun huiswerk niet hebben gemaakt hoeven niet, zoals in mijn tijd, met een liniaal kauwgumresten achter de radiatoren weg te schrapen of 20 keer het Latijnse schoollied over te schrijven.

‘Dit is positieve bekrachtiging,’ zegt de docent. ‘Na 20 jaar straffen uitdelen zonder merkbaar resultaat probeer ik het zo eens.’

Een leerling bevestigt dat in Psychologie Magazine stond dat belonen inderdaad beter werkt dan straffen.

***

Na deze les is het tijd voor een uur met 8 havo.

‘Zijn ze zo vaak blijven zitten?’ vraag ik. De vrijeschool blijkt de klassen door te nummeren vanaf de basisschool. Wat hier 8 havo is, is in de buitenwereld 2 havo. Dat betekent vooral veel breuken vereenvoudigen.

‘Welkom bij Wiskunde!’ staat er in Comic Sans op het digibord.

Ik krijg gelegenheid me voor te stellen aan de klas.

‘Hallo,’ zeg ik, ‘ik ben de nieuwe leerling.’ Het blijft doodstil.

‘We hebben vandaag een gast,’ springt de docent in, ‘hij komt kijken of het leuk is om les te geven aan kinderen zoals jullie.’

Het volume in het klaslokaal schiet omhoog.

‘Kan die raam uit,’ schreeuwt een jongetje.

‘Mag die licht dicht,’ roept een meisje.

‘Hallo! Hallo jongens!’ herhaalt de docent tot de rust terugkeert. ‘Hallo!’

Met bovenmenselijk doorzettingsvermogen legt de docent de Key-Change-Flip-methode uit om breuken te delen.

‘Dat is dus de KCF-methode,’ concludeert hij.

‘KFC!’ brullen vier kinderen tegelijkertijd. ‘Het is de KFC!’

‘Hot wings!’

‘Boneless strips!’

‘Bucket, bucket, bucket!’

Na tien minuten de-escalerend klassenmanagement kan de docent verder. Het volgende onderwerp is het aftrekken van breuken. Het is stil in de klas, leerlingen luisteren geconcentreerd. De rust houdt aan wanneer de kinderen zelfstandig een som moeten maken.

‘Godverdomme!’ roept een jongetje van amper 1 meter hoog vanuit het niets. ‘Wat is dit nu weer voor kankersom?’

‘Wat ben je dom,’ zegt zijn buurman.

‘Dit stimuleert je brein,’ zegt een jongen voorin de klas die achterom op zijn stoel is gaan zitten.

Het volume in de klas neemt weer een vlucht. Een elfjarige naast me knoopt een gesprek aan over aftrekken. Ik doe alsof ik hem niet gehoord heb.  

***

Om de dag leuk af te sluiten mag ik nog een deel meepakken van een les Smeden en Composteren.

‘Wat duurzaam,’ zeg ik.

‘Kop Boetseren,’ herhaalt de handvaardigheidsdocent.

Met een koffie voeg ik me bij de andere docenten. Ze zijn het erover eens dat de meeste leerlingen in de kern toch wel lieverds zijn. Al blijft het oppassen.

‘Maar zolang er in een mavoklas niemand een stanleymes pakt, vind ik het een geslaagde les,’ zegt een leraar.

Verderop zie ik één van de meisjes die ik eerder hielp met logaritmes in de weer met een figuurzaag. Ze zwaait naar me. Zo te zien maakt ze een dier – een walvis, als ik me niet vergis.

‘Hoe vond je het vandaag?’ vraagt een andere zij-instromer me.

‘Indrukwekkend,’ zeg ik, ‘en overprikkelend.’

‘Snap ik,’ zegt hij, ‘ik had in het begin ook na elke les het gevoel dat ik een sportwedstrijd had gespeeld. Maar dat ging vanzelf voorbij na een jaar of vijf.’

Hij houdt de deur naar het schoolplein voor me open. ‘En je moet maar zo denken: het is bijna herfstvakantie.’

×