
Het leek zo’n veilige, prikkelarme dagbesteding voor een revaliderende burn-outpatiënt: een tocht op een fluisterbootje door de wateren van het Amsterdamse Bos. Maar de zaken liepen anders dan verwacht.
Dwangarbeid
Ik ben inmiddels uren veilig thuis maar sta, ondanks drie body scans en een half uur loving kindness, nog strak van de cortisol door wat zich in de diepten van het woud heeft afgespeeld. Als dit zo doorgaat moet ik één van de Thaise valiumpillen gaan inzetten die ik had gereserveerd voor mijn re-integratie op kantoor.
Het boottochtje zelf kan ik iedereen aanraden, hoewel de begintijd van 11 uur aan de vroege kant is voor varen of wat dan ook. We legden een idyllische route af door bosschages die Amazone-achtig aandeden vanaf de donkere, met waterlelies bedekte sloten. Dat hebben die dwangarbeiders in de jaren ’30 en ’40 toch maar knap gedaan. In plaats van een loopbaancoach gaf het UWV ze een handschep om hier de zeeklei uit te graven. Ik krijg van het idee alleen al honger; gelukkig zat er onderweg naar het bos een bakker met kokosklappers in de aanbieding.
Begin juni zie je de natuur op z’n spectaculairst. Er staat overal wel iets in bloei, en alle bomen kleuren groen van het loof of wit van de spinselmotwebben. Het enige wat aan boord van de fluisterboot herinnerde aan de buitenwereld waren de rakelings over de boomkronen scherende TUI-jumbojets en de hinderlijke Johan Cruijff-anekdotes van de schipper. De meeuwen die vers uit het ei gekropen meerkoetpulletjes probeerden te verslinden confronteerden je maar weer eens met de gevaren van een lege maag.
Wie had gedacht dat de aanvallen van die meeuwen in het niet vielen bij de agressie waarmee we na afloop van de boottocht geconfronteerd zouden worden? En zoals zo vaak in de natuur bleek het ergste geweld niet afkomstig van roofvogels of gifslangen, maar van die bekende, rechtop lopende draaideurcrimineel met de opponeerbare duim: de mens.
Steniging
Hier kunnen we best specifieker zijn en melden dat de mens in kwestie een vrouw was. In meer detail wil ik niet treden omdat het niet relevant is voor het incident en omdat de privacy van de dader uiteraard prioriteit heeft. Inmiddels zijn we niet meer aan boord van de fluisterboot, en is de plaats van handeling verschoven naar Boerderij Meerzicht, een restaurant geassocieerd met een pratende boom, de pannenkoekengate van Eva Hoeke en andere simpele levensvreugde – tot vandaag.
Mijn vrienden en ik installeerden zich met pannenkoek Hawaii tussen de petunia’s. Om de ontprikkeling van de boottocht te voltooien kwam er een fles Makro-prosecco op tafel. We spraken over de damherten die zo vredig knabbelden aan de brokken die je ze tegen betaling van 50 eurocent mocht aanbieden, toen er opeens een soort meteorietenregen over onze pannenkoeken neerdaalde. Minstens 3 ons met kracht gekatapulteerde, scherpe en modderige grindkiezels kletterden neer op onze borden en personen.
‘Doe normaal’, riep vriendin L., die als eerste had vastgesteld uit welke hoek de aanval kwam. Een onaangelijnde kleuter stond al klaar met de volgende knuist vol projectielen. Er kwam een vrouw in beweging aan de tafel naast ons, vermoedelijk de moeder die haar kind tot de orde zou roepen.
Het bleek inderdaad de moeder die een strot opzette, alleen niet tegen haar kind, maar tegen L. ‘Hoe waag je het om zo tegen mijn kind te praten,’ krijste ze. ‘Het is een fucking kind! Waar haal je het lef vandaan om zo te praten tegen een fucking kind?’ Het kind zelf trok zich intussen angstig terug achter de tafelpoten.
L. zei dat ze het lef putte uit het feit dat er handen vol kiezels werden afgevuurd op burgers, zonder interventie van ouder of voogd. Dit was olie op het vuur. Mama kwam tierend naar onze tafel om ons met krachttermen en consumptie te wijzen op de fatsoensnormen rondom haar fucking kind. Niks kon haar kalmeren, behalve een vrouw uit haar eigen gezelschap die de situatie als volgt duidde: ‘het zijn gewoon racisten’. Alsof er bij ons aan tafel geen migratie- of (veen)koloniale achtergronden waren.
Kopstoot
In een poging te de-escaleren concentreerden we ons op de pannenkoeken en elkaar. Het thema ‘damherten’ had wel wat urgentie verloren. Onvermijdelijk kwamen we te spreken over de poging tot steniging die zojuist had plaatsgevonden. ‘In sommige culturen heel normaal,’ zei ik. Ik kon het weten want ik had laatst nog een YouTube-explainer over stenigingsmethoden in Jemen gezien.
De rust was amper teruggekeerd of de stroop vloog alweer over het terras. ‘Hoe durf jij te spreken over culturen!’ Deze keer had moeder de vrouw het op mij gemunt. ‘Waar bemoei je je mee! Waar haal je het lef vandaan om culturen erbij te halen?’ Ze stootte haar stoel weer naar achter en kwam dichterbij dan ooit tevoren. Ze wees naar mijn mond met haar vinger op zo’n minieme afstand dat het Centrum Seksueel Geweld zou spreken van orale aanranding. Ik heb in geen jaren van zo dichtbij een vrouwenlichaam gezien. Haar gelnagels zagen er verschrikkelijk uit.
Als puntje bij paaltje kwam, hoe zou ik me dan verdedigen in deze greppel van wat als een cultuuroorlog beschouwd bleek? Een kopstoot leek me de meest efficiënte optie, al baarden de verhalen over rugbyspelers met Alzheimer op hun 30e me zorgen. Toch leek het op fysiek geweld uit te draaien. Hoe sluit je vrede met een tegenstander die vaker over cultuur spreekt dan Pierre Bourdieu?
Uiteindelijk kwam de redding in de gedaante van een tussenbeide springende pannenkoekeneter van een andere tafel. Hij had een hondje dat niet blafte maar tjilpte. In deze cultuuroorlog ontmoetten we hier de blauwhelm die het grote bloedbad wél wist te voorkomen.
Ik ga weer ademhalingsoefeningen doen, Leffe drinken en nadenken over de betekenis van deze dag in het grotere geheel. En voorlopig niet alleen heel goed uitkijken met de kantoortuin, maar ook met die van de pannenkoekenboerderij.