Reclassering #3 – Ik had honger

Ik heb een droom.

Het is een dinsdagochtend zoals alle andere. Om 7 uur gaat de wekkerradio, maar ik blijf liggen. Ik zit namelijk in de Ziektewet. De wekker heeft geen macht meer over mij.

Toch laat ik het duivelskind zijn dagelijkse treiterij verrichten. Zo blijf ik dankbaar voor het feit dat hij zijn autoriteit verloren heeft. Dankbaarheid is de basis voor een gelukkig leven, daar zijn Oprah Winfrey, Ernst-Jan Pfauth en Rebbe Nachman van Breslov het over eens.

Schreeuw maar moord en brand, denk ik dan, tweederangsdemoon uit de onderste plank van de MediaMarkt, wie denk je dat je bent, ik dans niet meer naar jouw pijpen. Ik ben vrij.

De Radio 10 Ochtendshow kraait door de slaapkamer. Vroeger, toen mijn carrière nog glansrijk te noemen was, werd die gepresenteerd door Gordon en Froukje. Zelfs dat kon bergafwaarts, want tegenwoordig zitten er twee Jeroenen. Van alle banen schijnt radiopresentator één van de begeerlijkste te zijn. Toch hoor ik de kerels met mededogen aan, want ik weet dat die arme drommels al om 5 uur tussen de creamersticks in de studio zitten.

Ik trek het dekbed nog eens op tot het stukje nek precies onder de adamsappel en wentel me linksom tot ik in een semi-ingebakerde toestand verkeer. Mijn lakens zijn van Egyptisch katoen met een thread count van 400. Meer heb ik niet nodig, zo simpel is geluk.

Zo blijf ik nog een paar uur liggen, intens dankbaar voor alle zaken die ik niet hoef te doen, of in ieder geval niet doe. Mijn ochtendroutine is sereen. Ik eet maximaal drie schalen krokante cruesli, zet filterkoffie en kijk vanaf de veertiende verdieping naar silhouetten in regenjassen die zich over straat naar hun werk haasten, al ben ik daarvoor vaak te laat.

Normaal gesproken ga ik daarna naar het buikspierkwartier met mijn lievelingstrainer en me bij wijze van lunch volproppen met boterhammen. Maar in mijn droom gaat het even helemaal anders.

Ik pak een big shopper van de Carrefour en vul die met plastic bakjes. Rond lunchtijd stap ik op de fiets.

Voor het eerst in een half jaar ga ik naar kantoor.

Bij de poortjes pak ik de magnetische sleutel die ik bij indiensttreding heb ontvangen. Eigenlijk is het sinds vorig jaar de bedoeling dat we voor de toegang een app gebruiken. ‘Geef me dan eerst maar eens een werktelefoon,’ zei ik tegen mijn toenmalige manager. Lachend zei hij dat ik de app moest installeren op mijn privételefoon. Hij wist nog niet dat ik lid ben van FNV.

Ik neem de lift naar de elfde verdieping: de kantine. Omdat ik nog steeds in de chatgroepen zit waar dagelijks de lunch wordt gedeeld, ben ik al op de hoogte van het menu.

De sandwichbar bestaat vandaag uit twee keuzes: een briochebroodje met omelet en gerookte sockeye zalm of een zuurdesempistolet met veganistisch gehaktbrood en olijventapenade. Voor het hoofdgerecht kunnen we kiezen uit een coq au vin gestoofd in pinot noir met aardappelmousseline en haricots verts, of een aubergine-teriyakischotel geserveerd met pandanrijst en een garnering van bosuitjes en sesamzaad. Het salade-eiland biedt een waaier aan opties, variërend van een koolhydraatrijke basis zoals eiernoedels of quinoa tot proteïne in de vorm van tonijnkubusjes en biefstukreepjes. Er zijn zes soorten gestoomde en gebakken groenten, en een hele batterij sauzen aan het eind van het buffet. Voor degenen met afwijkende dieetwensen is er een assortiment gesneden brood met dagelijks wisselend vers beleg zoals filet americain, baba ganoush of makreelfilet. Zoetekauwen vinden hier ook krentenbollen, ontbijtkoek en suikerbrood.

De lunch is gratis voor werknemers. Ook voor zieke werknemers.

Met de Carrefourtas over mijn linkerpols begin ik mezelf gul op te scheppen. Collega’s die me hier maanden niet hebben gezien kijken met open mond toe. Sommigen vermijden oogcontact. Anderen zeggen voorzichtig gedag.

‘Howdy,’ zeg ik terug, terwijl ik een flinke schep tonijn op mijn bord kwak.

Mijn intuïtie voert me doorgaans richting vleesopties, maar vandaag is een bijzondere dag. Ik kies in eerste instantie voor de vegetarische warme maaltijd. Pas daarna gun ik mezelf ook een portie coq au vin.

Het dienblad is inmiddels goed gevuld. Ik vind een zespersoonstafel in het midden van de kantine, waar ik in mijn eentje plaatsneem. Dan zet ik het op een bunkeren.

‘Wat doe jij hier nou?’ Eén van mijn zeven managers van het afgelopen jaar staat naast mijn tafel, de gebruikelijke brokjes vleeswaren in zijn baard. Toen ik eens naar een kantoor moest in een ander land heeft hij me een dag laten werken aan een vergelijkend Excelbestand om te bewijzen dat ik de goedkoopste vlucht had gekozen.

‘Ik had honger,’ zeg ik. Hierbij schiet er een stuk hanenvlees uit mijn mond. De ontregeling puilt mijn ex-managers ogen uit. Ik laat een boer die het boeket van pinot noir verspreidt. Hij deinst achteruit met een blik die ik alleen heb gezien toen de toezichthouder langskwam.

De aubergine smaakt naar meer. Ik besluit nog een portie te halen. Als ik dan toch bezig ben kan ik net zo goed nog eens langs het saladebuffet, waar rozemarijnkrieltjes lagen die me ook de moeite waard leken.

Daar loop ik Surya tegen het lijf, een collega met wie ik het goed kon vinden. Dat wil zeggen dat ze open stond voor achterklap en me nooit betichtte van een 9-tot-5-mentaliteit tijdens de steeds frequentere rondes intercollegiale feedback.

‘Mathijs!’ zegt ze, ‘hoe gaat het met je? Ben je weer aan het werk?’

‘Het gaat een stuk beter,’ zeg ik, ‘ik heb alleen zo’n honger!’ Een schep vol krieltjes rolt over mijn bord. Eentje belandt in de bak met zalmsalade, wat geldt als contaminatie. Onmiddellijk voert een cateringmedewerker de salade af, om hem in de keuken bij het GFT te gooien.

Dan verschijnt Floris, een oud-teamgenoot die elke lunch compulsief herhaalt dat je wel Downsyndroom moet hebben om niet in koper te beleggen.

‘Wat goed om je weer op kantoor te zien man,’ zegt hij. ‘Wat is voor jou nu de planning?’

‘Mijn planning is als volgt,’ zeg ik terwijl ik alvast een kipspies uit het vuistje eet, ‘eerst een portie coq au vin, dan nog wat aubergine en daarna nog eens langs het saladebuffet.’

Ik balanceer nog een paar tangen gerookte forelfilet bovenop mijn bord en trek me terug naar mijn tafel. De gratis goederen gaan er uitstekend in. Tot mijn spijt begint de verzadiging in zicht te komen.

Na een tweede portie coq au vin is de rek uit mijn maagwand. Ik buik even uit, veeg mijn vette lippen af en pak de Carrefourtas.

Mijn eerste stop is de aubergine-teriyakischotel. Ik pak een Tupperwarebakje uit de big shopper en schep het vol met aubergine. Met de lepel druk ik de boel goed aan zodat het bakje maximaal gevuld kan worden. Als ik bij dit bedrijf één ding heb geleerd, dan is het om efficiënt te werk te gaan.

‘Work smarter, not harder,’ zeg ik tegen mezelf.

Als het eerste bakje vol is, pak ik een tweede. Zo ga ik een stuk of vier bakjes door.

Dan is het tijd voor de coq au vin. Hier vul ik vijf Tupperwares mee. Omdat ik met de lepel niet genoeg saus te pakken krijg, til ik de roestvrijstalen bak uit het buffet, kieper hem om en giet hem leeg over mijn Tupperwares. Ik houd de bak op z’n kop en sla net zo lang met de lepel op de onderkant tot overal voldoende saus in is gestroomd.

De methode is effectief, maar het rammen van de lepel maakt een hoop lawaai. Collega’s houden steeds meer afstand. Sommige maken filmpjes met hun iPhones. Cateringpersoneel omsingelt me.

‘Sorry meneer,’ zegt een Oekraïense broodjescoördinator, ‘het is niet de bedoeling dat u voor andere mensen lunch meeneemt.’

‘Wie zegt dat dit voor andere mensen is?’ zeg ik, ‘Je wilt niet weten wat ik allemaal op kan.’

De Oekraïner zegt iets in een soort walkie-talkie.

Ik breek door de linie en bereik de saladebar. De Tupperwarebakjes zijn allemaal gevuld. Gelukkig had ik thuis ook wat grotere containers gevonden, Curver opbergboxen van de Blokker met een inhoud van 15 liter.

Ik besluit af te schalen qua subtiliteit. Ik zet de Curver opbergboxen geopend naast elkaar op de grond, en pak één voor één de bakken uit de saladebar.

Eerst de zalm. Met mijn handen klauw ik de salade eruit, net zolang tot de Curver met een berg gevuld is. Ik druk de deksel erop en stamp hem aan tot de doos dichtgaat.

Terwijl de zalmresten over mijn kleren druipen pak ik de volgende schaal: kipspiezen. In één vloeiende beweging laat ik de vleesstukken neerklateren in de volgende Curver. De spiesjes zijn in een suboptimale Mikado-configuratie terechtgekomen. Ik trap een paar keer tegen de doos om de kipmassa te laten inklinken, waardoor er ruimte ontstaat voor een extra lichting.

Ik zie gelegenheid om nog twee Curvers te vullen. Dan hoor ik commotie bij de lift. De Oekraïner heeft om versterking gevraagd – het zal weer eens niet.

Wanneer ik de laatste Curver in de Carrefourtas smijt en de benen neem, snellen er twee beveiligers de kantine in. Collega’s wijzen mijn kant op. Met de tas stevig in mijn knuisten geklemd ren ik naar de brandweerlift. Als bedrijfshulpverlener beschik ik over een speciale sleutel, waarmee ik de lift kan bedienen. Een halve seconde voor de bewakers de lift bereiken, sluiten de deuren.

Die avond geniet ik thuis van een portie coq au vin, opgewarmd in de magnetron.

Ik lees een mail die aan alle werknemers is verstuurd. ‘Het management betreurt dat vandaag een verwarde medewerker onrust heeft veroorzaakt in de kantine.’

Ik mail een antwoord aan het hele bedrijf.

‘Ik was niet verward,’ schrijf ik, ‘ik had gewoon honger.’

Reclassering is een potentieel eindeloos feuilleton over geleidelijke heruitzetting in de kantoortuin na een heilzaam verblijf in het vijfsterrensanatorium genaamd Ziektewet.

1 thought on “Reclassering #3 – Ik had honger”

Comments are closed.

×